De vergeten bonen

Gisteravond werd in restaurant Pressroom in het Ink Hotel in Amsterdam de Nederlandse aftrap gegeven van het Internationale Jaar Van De Boon 2016. Samen met wijn-boonspecialist Harold Hamersma mocht ik het logo voor Nederland onthullen. Tijdens het speciale bonendiner van chef Tjitze van der Dam en gastchef Luc Kusters droeg ik bovendien twee bonencolumns voor. Column 1: De boon, de vergeten vergeten groente.

2016: Internationaal jaar van de (blije) boon

2016: Internationaal jaar van de (blije) boon

Iedereen weet het intussen: in 2050 moeten we 9 miljard mensen in een extreem verstedelijkte omgeving met slechts één aardbol zien te voeden.
Dat wil zeggen, als blijkt dat Mars vóór die tijd toch nog niet gekolonialiseerd kan worden.
En als ik tussendoor even een tip mag geven: tuinbonen zijn zo foolproof dat ze overal wel willen groeien. Initiatieven als ‘Tuinboon je mee?’ laten zien dat een paar vierkante decimeter in zelfs een extreem droge, rode, urbane of volledig gecontroleerde duurzame ultra hi-tech omgeving voldoende is.
En dat dus overal op braakliggende stukken grond, daken, parkeergarages, kantoortuinen, parken, schoolpleinen, kunstmatige eilanden en – waarom niet? – planeten, bonen verbouwd kunnen worden.
Dus nu er water op Mars is gevonden kunnen we er op termijn misschien een heuse bonenplaneet van maken à la de madeliefjesplaneet van James Lovelock. Tuinboon je mee op Mars – klinkt niet onaardig, toch?
Maar tot die tijd moet er iets anders gebeuren om de aarde van uitputting te redden. We kennen de hele riedel: minder vlees, een kleinere ecologische voetafdruk, minder foodmiles, minder waterverbruik, minder kunstmatige meststoffen, meer oplossingen voor sterk verstedelijkte omgevingen, haalbare oplossingen voor de derde wereld, en vooral ook een mentaliteitsommezwaai in opkomende economieën waar vleesconsumptie, samen met de auto nog steeds wordt gezien als statussymbool.
O ja, en een gezonde bijdrage aan het dagelijks menu van liefst iedereen – arm en rijk. En lekker en gevarieerd, graag. Ga er maar aanstaan.
Dit is geen nieuws, natuurlijk. Integendeel. We weten dit al jaren. En ook al jaren wordt ons op allerlei wijzen duidelijk gemaakt dat we bijvoorbeeld minder vlees moeten eten om een beetje behoorlijk het jaar 2050 te halen met z’n allen.
Zowel qua gezondheid van onszelf – zoals laatst nog weer bleek uit de nieuwste adviezen van het WHO en de Gezondheidsraad – als van onze eigen en voorlopig enige planeet. Dat wil zeggen: tot de kolonisatie van Mars.
We doen er daarom de laatste jaren alles aan om groenten hip te maken; de Vegetarische Slager haalde net ruim 2,5 miljoen euro op om de grootste slagerij ter wereld te bouwen waar geen flintertje vlees ooit op het hakbord te vinden zal zijn; we ontwikkelen kweekvlees en sojabiefstuk met echte vezelstructuur, en we fantaseren over tuinboonplaneten…
En al die tijd werd de meest voor de hand liggende oplossing over het hoofd gezien. ‘Vergeten’, zou ik willen zeggen.
En dat woord gebruik ik natuurlijk niet voor niks. Eind vorige eeuw, namelijk, kwam de zogenaamde ‘vergeten groente’ op – een reeks historische gewassen die na een lange afwezigheid, ineens weer te koop waren op de snel aan populariteit winnende boerenmarkten.
Erfgoedgroentes als pastinaak, gele biet, aardpeer, kardoen, klaroen, blonde pluklof, kliswortel, schorseneren – noem ze allemaal maar op. Binnen no time waren deze groentes dé hip onder de toen nog niet met de bijnaam ‘foodie’ behepte zogenaamde Bourgondiërs, foodies avant-la-lettre. Vanwege de authentieke smaken en ook vanwege het feit dat de groentes kleinschalig werden verbouwd.
Vergeten groentes werden het symbool voor onze nieuwe strijd tegen de smaakvervlakking. Wie vergeten groentes at, deed dat niet alleen vanwege de smaak van vroeger, maar ook uit een daad van verzet. Daarnaast bleken ze voedzamer dan bijvoorbeeld de kastomaten die de Duitsers veelzeggend ‘waterbommen’ hadden gedoopt.
Maar… hoeveel van die vergeten groenten, die inmiddels niet meer weg te denken zijn uit ons dagelijks dieet en de troetelkindjes werden van diezelfde landbouwindustrie, hadden een peul?
Op een enkel heilig boontje of lathyruspeultje na, opvallend weinig. En dat is best vreemd voor een land dat eeuwenlang bad voor bruine bonen.
En dat ooit kon bogen op een heel arsenaal aan prachtige peulvruchten en de bijbehorende gerechten. Die om de één of andere reden in het terughalen van de vergeten groentes toch mooi de boot hadden gemist.
Wat die reden was, daar kunnen we alleen maar naar raden. Vergeten hoe we ze moesten bereiden, wellicht. Of waar ze ook alweer bij passen… Of simpelweg: uit het oog, uit het hart. En misschien ook wel deden bonen ons teveel aan armoede denken, aan schraalhans keukenmeester en andere associaties die we liever niet hadden.
Maar dankzij reizen naar het buitenland, waar peulvruchten veel vaker het culinaire podium krijgen dat ze verdienen, en dankzij initiatieven als het jaar van de boon en de bonenbende, plus het bijbehorende ontwakende bewustzijn, komt daar verandering in.
En dat is mooi, want de boon is niet zo’n béétje heilig met zijn kleine ecologische voetafdruk, z’n gezonde inslag en, afijn, alles wat we vanavond al hebben gehoord of nog te horen krijgen.
Het is de Buzz Lightyear onder de groentes. De boon komt je redden! Op naar Mars, en daar voorbij…
Of is Buzz Lightyear zelf al een vergeten held aan het worden? In dat geval is de boon de Carrie Mathison van de groentes. En wie niet weet wie dat is, raad ik aan deze wereldredder even te Netflixen.
De borlotti, zwarte ogenboon, beluga-lins, gele citroenboon, kievitsboon, pronkboon, molleboon, spekboon en het vuurtongetje: het zijn de vergeten vergeten groentes. Nu weer in het hart gesloten.

© Marjan Ippel, Talkin’ Food® 2015

Lees ook booncolumn 2: 2016: Het Jaar van de Boon
Lees ook: Tempo Doeloe